dinsdag 19 februari 2013

Het Lauwersmeergebied in 1750


Goede vrind,

Zoals laatst afgesproken stuur ik je nogmaals een verhaaltje over het Lauwersmeergebied. Althans, zoals het er in 1750 uitzag. Tenminste: zoals ik dat in mijn fantasie beleef!
Ik weet dat het een flutverhaaltje is, zeker geen literair hoogstandje, maar het dient uitsluitend ter verpozing.
Lees het eens en laat mij weten wat je er van vind. 

23 mei 1750.
De ‘Trijntje Jacoba’, een Duitse Snik van zo’n 45 voet, voer via het Zoutkamperlaag en Achter de Zwarten naar Zoutkamp. De Grote Baai had op de zeekaarten de naam Lauwerszee gekregen. Zo genoemd naar het riviertje De Lauwers, die vlak bij Zoutkamp in de Lauwerszee uitkwam.
Het scheepje had vroeger twee masten. Klaas Sterkenburg had de bezaanmast laten verwijderen. Hij had niets aan snelheid en met z’n tweeën waren het grootzeil en fok gemakkelijker te bedienen.
Klaas en zijn zoon Wiebe kwamen terug van een 2 daagse visreis. Ze hadden op de Waddenzee op Anjovis gevist. De vangst was goed geweest. Na de eerste dag zat de bun al vol. Gisternacht hadden ze op de rede van Schiermonnikoog gewacht op gunstig tij en nu gingen ze op weg naar huis. “Naar De Soltcamp”, zoals Klaas Zoutkamp nog steeds noemde.
Wiebe probeerde voorop de Snik met een bezem en veel water de vele schubben van de gevangen Ansjovissen weg te krijgen. De schubben gaven het een bootje een haveloos aanzien, vond hij.
Klaas vond het best. Een flinke jongen, die Wiebe van hem.
Hij riep naar hem dat ze overstag gingen. Bliksemsnel maakte Wiebe de schoot van de fok los en –terwijl zijn vader het grootzeil omgooide- maakte hij de lijn behendig vast aan bakboordzijde. Ze waren een geolied team, zijn vader en hij.
Toch knaagde er iets aan Wiebe. Hij was nu 16 jaar, kon lezen en schrijven en hield van de zee.
Maar om visser te worden? Hij werd onrustig bij die gedachte. Zijn vader verwachtte dat wel van hem. Hij was enig kind en dus zijn beoogd opvolger op de ‘Trijntje Jacoba’. Maar het hart van Wiebe lag ergens anders. Zo gauw ze thuis waren moest hij naar buiten, de kwelders op, de polders in. Altijd vergezeld van Sietse, de jonge wetterhoun. Met zijn geweer, een tot jachtgeweer omgebouwde Engelse Flintlock musket, belaagde hij eenden en zwanen. Als het weer te slecht was om uit te varen met de Snik, was Wiebe te vinden in de Groningse polders waar hij van veel boeren een permissie had om te jagen.
Zolang Wiebe daardoor eten en geld in het laatje bracht, vonden Klaas en Trijntje, Wiebes moeder, het wel best.
Door de gunstige wind zagen ze al spoedig Zoutkamp liggen. Een gehucht met een paar huizen en een haventje. Zoutkamp stond aan het begin van welvarende periode, want overal werden huizen gebouwd. Er was een vismijn. De meeste Zoutkampers landen daar hun gevangen vis aan.
Voor het immense bouwwerk, waar grote zeesluizen werden gebouwd om het achterland voor de nukken van de Lauwerszee te behoeden, legden ze aan in de haven. Moeder Trijntje had op de uitkijk gestaan en hielp mee de gevangen vis in korven weg te brengen. Na een paar uur waren ze klaar.
De zon begon te zakken, maar Wiebe moest er opuit, de kwelder op. Sietse en geweer bleven thuis. In mei viel er niets te jagen.
Hij hoopte op een paar eieren van kieviten of grutto’s.
Gekleed in een linnen buis en een kniebroek, met daaronder een paar lange kniekousen, ging hij op pad. In het harde leven van vissers was geen plaats voor modieuze fratsen: het moest vooral degelijk en praktisch zijn. De Rococo had Zoutkamp nog niet bereikt…
Hij aarzelde. Zou hij naar zijn neef Rypko gaan? Deze was arbeider bij de borg Panser. In zijn spaarzame vrije tijd ging hij vaak met Wiebe op jacht.
Maar het was hem te ver. De schemer trad al in en de borg stond helemaal achter Vierhuizen.
Hij struinde wat langs de waterkant. De dijken waren na de Kerstvloed van 1717 bijna overal hersteld. Zijn vader had hem verteld, dat het niet zonder slag of stoot was gegaan. Het kostte veel geld en daar moest iedereen aan mee betalen. Maar niet iedereen had daar zin aan gehad. In sommige plaatsen was zelfs oproer uitgebroken. Het had de schout heel wat moeite gekost om al het geld bijeen te krijgen!
Wiebe liep de dijk op. In de verte zag hij de oude vuurtoren van Oostmahorn wenken. Nog verder weg, hij kon het in het mistige duister nog net onderscheiden, zag hij de kerk van Anjum.
 
Hij keek er peinzend naar en dacht wat zijn vader laatst had gezegd over de Lauwerszee. “Let op, mien jong, de hoge heren van de Verenigde Provinciën willen wat met de Lauwerszee. Er is weer geld - hoewel wij daar niets van merken -, de bevolking groeit en er is gebrek aan grond. Een ramp zoals tijdens de kerstdagen 1717 wil niemand weer. En daarom zul je zien dat ze steeds meer van de Lauwerszee in gaan polderen. De kustlijn schuift steeds verder op! Wij vissers moeten steeds verder weg om nog een vissie te kunnen vangen.” Vader had zijn neuswarmertje van verse tabak voorzien en zei toen: “Let op mijn woorden, Wiebe: Ze zullen ooit de hele Lauwerszee inpolderen!”
Wiebe moest weer hardop lachen, toe hij aan de woorden van zijn vader dacht. De hele Lauwerszee inpolderen! Hij moest er niet aan denken. Waar moesten zijn vader en hij dan gaan vissen? Nee, dacht hij hoofdschuddend, dat zal nooit gebeuren… 

            Zo, dat was het verleden.
Ik stel voor dat we ons nu weer gaan richten op het heden. Laat ik de onvermijdelijke vraag stellen: wanneer kom je weer eens langs?
Ik heb zin om het jou te discussiëren over echte schrijvers. Zoals bijvoorbeeld Jef Geeraerts. Zijn Gangreen serie beschouw ik nog steeds als een literair wonder. 

            Graag tot spoedig!

 

maandag 11 februari 2013

Het Lauwersmeergebied in 1350


Beste vriend,
Ik stuur je dit briefje omdat ik je een verhaaltje wil laten lezen, die ik onlangs op papier heb gezet.
Je weet dat het Lauwersmeergebied mij na aan het hart ligt. Misschien wel daarom vroeg ik mij af hoe dit gebied er zo’n 600 jaar geleden uit zag en - vooral -  hoe de mensen in die tijd leefden.
Ik neem je mee in mijn fantasie:

We schrijven 23 mei 1350.
Een man loopt behoedzaam langs een kreek die, verderop, uitkwam in zee. Hij kon de zee niet zien, maar de branding was duidelijk hoorbaar. In de kreek zag hij een paar zeehonden die met de vloed naar binnen waren gezwommen. Ze hadden spiering en kabeljauw gevolgd om hun eeuwig honger te stillen. De vis was, zoals bij elke vloed, ver het binnenland ingetrokken. Was het wel een kreek?, vroeg de man zich af. Eigenlijk was het meer een soort verbindingswater tussen de zee en een baai. Bij vloed was het verraderlijk vaarwater door de vele zandbanken. Nu het eb was waren deze zandbanken goed te zien.


Uit de kleding bleek dat hij een jager was. Eenvoudige linnenkleding, die bestond uit een kort getailleerd jasje, afgezet met knopen. Daaronder een ruw hemd met lange mouwen. De broek was een braies, een lap stof, die tussen de benen was geslagen en met een riem om de middel vast gebonden. De hoge, linnen laarzen zagen er gebruikt uit.
Zijn hoofd was getooid met een kleine, rieten hoed, die bovenop een weerbarstig bos halflang haar was gezet.
Voorzichtig, gebruik makend van ieder duintje, sloop hij naar een paar eidereenden die aan de rand van de ondiepe kreek lagen te dommelen. Een handboog, van een kruisboog moest hij niets hebben, hield hij klaar in zijn linkerhand. Eidereenden waren niet lekker. Ze hadden een vissige smaak. Maar hij had honger en was dus niet kieskeurig. De laatste meters sloop hij op zijn buik naar het duintje vlakbij de eenden. Een prachtig gekleurde woerd zag hem te laat. De pijl trof hem onverbiddelijk. De andere eenden vlogen in paniek weg, toen de jager door het ondiepe water naar zijn buit liep.
Even later hield hij de eend besluiteloos in zijn hand. Teruggaan naar zijn huisje achter de stevige dijk? Dat was bijna een halve dag lopen en waarom zou hij nu al teruggaan? Er was niemand die op hem wachtte. Zo lang hij zich herinnerde woonde hij samen met zijn vader in dat huisje. Maar zijn vader was nog niet zo lag geleden gestorven. Hij had alles van zijn vader geleerd: jagen, vissen en eieren zoeken. Ze hadden het best goed gehad samen. Zijn moeder had hij nooit gekend. Zij was in het kraambed overleden. Een vrouw uit hetzelfde buurtschap was na gepaste tijd bij hun ingetrokken. Zijn stiefmoeder was geen prettig mens. Bazig en een scherpe tong. Na 7 jaar vertrok ze. Tot opluchting van hem en zijn vader. Ach, vader! Hij was stokoud geworden. Hij vertelde ’s avonds bij het licht van een enkele kaars vaak over vroeger. Over de verschrikkelijke St. Luciavloed in de winter van 1287, die duizenden mensen het leven had gekost. En over een nog grotere watersnoodramp, 7 jaar daarvoor. Hoewel zijn vader nog maar een kleuter was, kon hij het zich wel herinneren. “Weet je, Fransoys, die watersnoodramp heeft de Grote Baai gemaakt. Het woeste water maakte diepe geulen en de vele duinen en zandplaten zijn verzwolgen”. Zijn vader gooide een paar turfjes op het vuur en staarde peinzend in de vlammen. Nu levert de Grote Baai veel vis, vooral ansjovis. De baai lag beschut, hoewel het er bij noordwester storm levensgevaarlijk was.
De oude man ging vroeger wel eens vissen op de zee. Samen met anderen maakten ze in een gammele boot jacht op robben.
Zijn vader had geweigerd om hem mee te nemen op robbenjacht in de grote zee. Te veel vrienden had de oude man zien verdrinken in het woeste water.
Fransoys had de eidereend geplukt en boven een vuurtje geroosterd. Ach, de smaak viel eigenlijk wel best mee.
Hij peinsde over zijn leven, of liever gezegd, over zijn toekomstig leven. Hij kende bijna niemand anders dan zijn vader. Samen hadden ze met jagen, maar vooral met vissen een goed leven gehad. Het wild en de vissen vonden een gretige aftrek op de wekelijkse markt in Dockum. Dat was een taak voor zijn vader. Met 2 rieten manden ging hij te voet naar de markt. Voor dag en dauw moest hij vertrekken. Het was een lange tocht en ’s avonds viel hij dan vaak uitgeput in slaap voor het vuur.
Maar hoe moest hij, Fransoys, nu verder? Nu in het voorjaar ging het nog wel. De vele eieren van steltlopers die hij vond, gaf hij mee aan Take, de ambachtsman uit het buurtschap. Take ging iedere week naar de markt en dan kon hij de eieren afgeven aan de herbergier. Die zorgde op zijn beurt voor vervoer naar de grote stad. Dat was een omslachtig gedoe, waarbij veel geld aan de strijkstok bleef hangen. Maar goed, samen met de opbrengsten van herfst en winter, hoefde hij zich geen zorgen te maken. Bovendien had Fransoys niet veel nodig. Dat had hij ook van zijn vader geleerd.
Hij nam een ingenieus gemaakte fles los van zijn riem, haalde de stop er af en liet een scheut - traditie getrouw - op de aarde vallen en dronk daarna gulzig de fles met geitenmelk leeg.
Zo, nu terug naar huis. Misschien vond hij onderweg nog eieren van kieviten of andere steltlopers. Vooral de eieren van grutto’s brachten veel op. Veel, wat is veel, dacht hij somber. Om de haverklap veranderde de munteenheid. De oude Friese penningen zouden plaats moeten maken voor Oistringer penningen. Hij zuchtte eens. Een eenvoudige jagersman ging dit boven de pet. Hij zou zelf maar eens naar Dockum gaan om de eieren te verkopen. Als hij dan wat extra geld meenam, kon hij wat nieuwe kleren kopen en misschien zelfs een nieuw jachtmes. Je kon beter met te veel spullen zitten dan met waardeloos geld!
Hij zette de pas er in. Het was nog een hele tippel voordat hij bij zijn huisje was, iets boven Anjum, zou zijn. Het was nu gemakkelijker om thuis te komen, bedacht Fransoys zich. Samen met de boeren hadden de schiere monniken uit het Gerkesklooster, een Cisterciënzer klooster met relaties tot het klooster van Klaarkamp, bij Rinsumageest, een dijk aangelegd en op die manier een flink stuk land op de grote baai veroverd. Hij kon nu over de dijk lopen en zo sneller thuis zijn.
Fransoys had wel eens gekeken, toen de monniken aan het werk waren. In de omgeving werden ze ‘Skiere Mûntsen’ genoemd. Het waren opvallende verschijningen met hun grijze habijten. Ze waren goed georganiseerd. Ze werkten stug door, terwijl de keukengroep zorgde voor regelmatige maaltijden. Fransoys verkocht zo nu en dan een paar snoeken aan hen. Een enkele keer kwamen monniken uit Aduard hen helpen.
Fransoys was aangekomen aan de rand van de Grote Baai. Hij keek uit over het kalme water en genoot van het uitzicht. Ver in het zuiden wist hij het riviertje de Lauwers. Zijn vader en hij hadden aan de monding van de Lauwers al eens hun ruw geweven netten uit gegooid. Het was een lange tocht geweest met hun kleine, houten boot en de resultaten waren gering. Het water was daar onder invloed van een paar riviertjes erg brak.
Hoe lang zou hij nog van dit uitzicht kunnen genieten?, vroeg hij zich af. De monniken en boeren polderden steeds meer van de Grote Baai in. Nog even en dan werd met een dijk de Grote Baai van de zee gescheiden! Fransoys moet grinniken om zijn dwaze gedachten. De Grote Baai een meer. Het moest niet gekker worden…

Tot zover, vriend. Laten we binnenkort, onder genot van goed glas, eens over mijn fantasie praten.
Met jouw welnemen stuur ik je binnenkort nog een verhaal, maar dan uit 1750.

donderdag 24 januari 2013

De dood komt altijd te vroeg.



Welkom, welkom. Kom binnen en doe de deur snel dicht. Het is verrekte koud met die ijzige sneeuwjacht van de afgelopen uren.
Het is goed je weer eens te zien, waarde vriend, het is al weer lang geleden.
Hopelijk gaat het jou beter dan met mij. Ik heb de laatste tijd enkele tegenslagen te verwerken gekregen.

Allereerst is mij vader kortgeleden overleden. Amper twee jaar na het overlijden van mijn moeder –ze waren overigens meer dan 68 jaar bij elkaar- is hij aan een hartstilstand bezweken. Ik had een goede band met mijn vader. Hij was geen jager, maar had altijd veel belangstelling wat ik zoal uitspookte op gebied van jacht en vissen. Dat laatste deed hij overigens wel: vissen. Hij was een goed sportvisser en sleepte menig prijs in de wacht. Hij was niet zoals andere leden van de visclub van zijn werk of van de lokale visclub ‘Dobbertje Duik’. Hem zag je niet in gymschoenen langs de waterkant rennen om zoveel mogelijk voorntjes te vangen. Nee, hij zocht een goede stek en met behulp van zijn geheim lokvoer wist hij de dikste brasems te vangen.
Zonder enige vorm van gene kan ik je vertellen dat Pap in zijn jeugd een stroper was.
Dat had hij van zijn vader. Opa stroopte zelfs met geweer. Pap niet. Zijn laatste stropersdaad was het zich laten vallen op een heidepol, waarin hij een konijn vermoedde. Zijn broer, oom Ep, was bij hem. Ze hebben die dag afgesproken dat ze zouden stoppen met stropen. De politie was toentertijd mobieler geworden. Ze werden zelfs in het gehucht waar ze woonden gezien met motor met zijspan. Pap was getrouwd, had het niet breed en kon zich geen bekeuring permitteren. Wel ging hij met Opa mee om bunzings te vangen. Dat was legaal, Opa had vergunning. Als kind ben ik één keer mee geweest. Samen met Freddie, Opa’s hond, zochten en vonden we een bunzing in een droge duiker. Het diertje werd door Freddie vakkundig vermoord. Het velletje werd in de schuur gehangen en later verkocht aan een opkoper. Het bracht behoorlijk wat geld op. Toen kunststof de bunzingvellen overbodig maakten en er geen geld meer mee te verdienen viel, zijn ze gestopt met het ‘muddevangen’.
Pap had dus iets met de natuur.
Hij ging wel eens met mij mee op jacht. Ik herinner me een maanverlichte nacht op de Veluwe. Het Ministerie had mij vergunning gegeven voor afschot van een wild zwijn. We zaten naast elkaar in een piepklein hutje. Voor ons, op 30 meter afstand, was een open plek. Het was al laat, toen er een grote, oude keiler, een mannetjes zwijn, zo groot als een pony, vlak voor ons stond. Hij was werkelijk groot. Zijn tanden blikkerden in het schijnsel van de maan. Pap draaide helemaal door: “Een zwien!”, riep hij, “een zwien! Scheit dan toch! Scheiten, mien jong!” Het koste me enige moeite om Pap uit te leggen dat jagen ook betekent dat je je moest houden aan de beslissingen van het Ministerie. Ik mocht alleen een jong varken schieten, geen oude keiler. Teleurgesteld keek hij toe hoe de keiler, verstoord door ons gepraat, in het bos verdween. Een mooie herinnering. Ik had hem nog zoveel willen vragen. Over het stropen en over zijn visavonturen in Friesland en op het Leekstermeer.
De dood komt altijd te vroeg.

                                                                           Pap

Bij twee vrienden van mij is nog niet zolang geleden kanker geconstateerd. Ik was er kapot van. Maar gelukkig zullen ze deze rotziekte overleven. Ik hoop nog menig jachtavontuur met ze te beleven en menig goed gesprek met hen bij de open haard te mogen voeren. We zullen dan toosten op het goede buitenleven en elkaar beloven stokoud te worden, want de dood komt altijd te vroeg.

Gisteren belde een andere goede vriend van mij. Ook een jager. Bij hem was een zeldzame kwaadaardig tumor ontdekt. Hij gaat een lange, moeilijke strijd tegemoet. Gelukkig leven we in een tijd dat de medische wetenschap tot veel in staat is. Ik kon hem alleen maar het beste wensen.

Begrijp je nu, waarde vriend, waarom ik zo somber kijk?
Je gaat nadenken over je eigen sterfelijkheid. Over dingen die je hebt gedaan, of je die wel goed hebt gedaan. Ik weet dat je met dat gepieker niet veel oplost. Bovendien zei Marjolijn Meijer eens tegen me dat piekeren over het verleden en over de toekomst geen zin heeft. Je hebt daar simpelweg geen invloed op. Alleen het heden is van belang.
Als jager word ik vaak geconfronteerd met de dood. Ik ben er dan ook niet echt bang voor. Maar, hoewel ik een einzelgänger ben, lijkt me sterven in eenzaamheid, zonder in de nabijheid van  je geliefde, verschrikkelijk.
Ken je dat gedicht van Remco Campert?:

Als ik doodga
hoop ik dat je erbij bent
dat ik je aankijk
dat je mij aankijkt
dat ik je hand nog voelen kan.
Dan zal ik rustig doodgaan
Dan hoeft niemand verdrietig te zijn
Dan ben ik gelukkig 

Genoeg gesombert! Ik heb een werkelijk excellente fles port kunnen kopen. Ik eis, vriend, dat je een glas met me drinkt en dat we toosten op het leven. Want de dood komt altijd te vroeg.



zondag 23 december 2012

'Grepen uit een Jagersleven'



Waarde vriend,
Je bent al weer op reis. En je hebt me nog niets verteld over je vorige reis! We zien elkaar te weinig. Gelukkig stuur je me regelmatig een ansichtkaart. Als terugkomt, moet je me uitgebreid verhalen over je reizen.
Ik ben zo vrij geweest om jou deze brief te sturen, geen e-mail, maar een ouderwetse brief. Geprint weliswaar, want ik heb schrijfkramp (een erkende aandoening!) en mijn handschrift zou jou te veel vermoeien. Ik stuur de brief naar Hotêl le Mandala in Saint-Tropez. Je had me verteld dat je daar een enige tijd zou verblijven.
            Ik schrijf je omdat ik - al weer enige tijd geleden - mijn collectie jachtboeken heb kunnen uitbreiden met een fantastisch jachtboek: ‘Grepen uit een Jagersleven’ van G.J. van Heek. Het is een duur boek. Amazon biedt nog één exemplaar aan voor £ 170,-. Dat is ook ongeveer het bedrag wat ik er voor betaald heb.
Het boek is een dikke 300 pagina’s dik, voorzien van enkele eenvoudige foto’s en illustraties. Het is in 1944 uitgegeven door de N.V. Uitgevers-Maatschappij Æ. E. Kluwer uit Deventer.


Zoals de titel al doet vermoeden, is het een beschrijving van het jagersleven van G.J. van Heek jr. Hij is in Lonneker geboren op 8 juni 1880 en gestorven in 1958, als zoon van een textielbaron uit Twente. Samen met zijn broer leidde hij later de textielonderneming N.V. Rigtersbleek/G.J. van Heek & zonen. Hij was een hartstochtelijk natuurliefhebber en jager. Hij is jaren bestuurslid geweest van De Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten. Vroeger zag je vaker dat jagers een belangrijk rol vervulden bij dergelijke natuurclubs. De oud-voorzitter van Valkeniersvereniging Adriaan Mollen en tevens jager, Kees de Bruin, bijvoorbeeld, was geruime tijd directeur van Vogelbescherming. Dat jagers nu geen rol van betekenis meer spelen in dergelijke natuurclubs is begrijpelijk. De leden staan over het algemeen ver van de realiteit van de natuur af. En dus heerst er een anti-jachtstemming Omdat deze natuurclubs bij de gratie van hun leden bestaan, moeten ze naar de pijpen van hun leden dansen. Natuurclubs zijn bedrijven geworden met veel personeel en materieel. In deze tijd zit niemand te wachten op een faillissement, ook zij niet…
Gerrit Jan van Heek was een vroom man. Hij was president-kerkvoogd van de Nederlands Hervormde Kerk in Enschede en lid van het kiescollege van de Nederlands Hervormde Kerk. Hij was een verwoed verzamelaar van schilderijen, die later aan het Rijksmuseum Twenthe zijn geschonken.
Hij heeft nog 2 boeken geschreven: ‘Reewild in Nederland’ (1948) en ‘Miene Vreenden’ (1958).
            Het boek ‘Grepen uit een Jagersleven’, welke ik via Jachtforum.nl van Bertie Weegerink uit Haaksbergen heb kunnen kopen, valt vooral op door zijn grootte. Het is maar liefst 25 cm breed met een bladspiegel van 19 cm. Dat leest moeilijk, maar je went er aan.
Het boek gaat over het (jagers)leven van van Heek tussen ruwweg begin 1900 tot het begin van de 2e Wereldoorlog. Het verhaalt over zijn jeugd in het Twentse en -vooral- over zijn jachtreizen in Scandinavië, de Transsylvanische Alpen, Oostenrijk, Noord-Amerika en Canada. Er staat een verhaal in over jagen op het Loo. In 1917 gaat hij samen met Prins Hendrik op de Soerense Heide op hertenjacht. (Zoals je weet, goede vriend, heb ik op die plek ook een jaar voor het Koninklijk Huis mogen werken).
Ik heb me verbaasd over de goede kwaliteit van jachtwapens van die tijd. Van Heek was geen onbemiddeld man en kon zich dure wapens permitteren. Hij schoot op afstanden die wij nu ook bezigen, met een buks van het merk Mannlicher met -voor elanden- de 400/450 softnose express-bullet. Deze buks wordt nog steeds gemaakt. Vaak schoot hij over keep en korrel.
Op berenjacht in de Transsylvanische Alpen maakte hij gebruik van een hammerles jachtgeweer (bijzonder in die tijd) met maar liefst 2 ¾” patronen. In de eerste loop reelopers(…) en in de tweede loop berenhagel, 13 korrels op de patroon(…).
            Opmerkelijk vond in het lage elandenbestand in Noorwegen in 1938. Het aantal jagers was in die tijd gering. Een enkele buitenlandse jager daargelaten, werd er alleen voor het vlees gejaagd. Waarschijnlijk was er toen een natuurlijke stand. Het aantal inwoners was zeer gering en woonde vooral langs de kust. Er leefden in 1938 ongeveer 20-25 elanden op 36.000 ha. Onwillekeurig moest ik denken aan de enthousiaste biologen, die de ongeveer 700 Schotse Hooglanders in het Lauwersmeergebied willen vervangen door elanden. Er van uitgaande dat de situatie in Noorwegen in 1938 redelijk natuurlijk was en dat biologen en wannabe’s uitgaan van een zo natuurlijk mogelijk Lauwersmeergebied, passen er dus zo’n 5-6 elanden in dit gebied. Zouden daar de tonnen aan afrasteringen en andere voorzieningen tegen opwegen?
            Je moet het boek wel lezen als zijnde een document uit die tijd. Er werd gejaagd op een manier die nu absoluut niet meer kan. Trofeeën waren het belangrijkste. Er werden op zeehonden en ijsberen gejaagd en tot mijn afgrijzen schoot van Heek in Roemenië een Schreeuwarend en later ook nog een Zeearend!

            Ik beschouw ‘Grepen uit een Jagersleven’ als één van de topstukken uit mijn verzameling. Heilig had ik mij voorgenomen om het niet uit te lenen, zelfs niet aan mijn beste vrienden. Laat ik nu in het boek van mijn favoriete filosoof, de Italiaan Piero Ferrucci, ‘Vriendelijk als levenshouding en helende kracht’ in het hoofdstuk Vertrouwen het volgende lezen: …In het hart van vertrouwen treffen we overgave aan. Het vermogen om los te laten heeft een diepgaande en revolutionaire uitwerking op ons. We realiseren ons dat we niet alles in de hand hebben; het is beter niet steeds naar zekerheid – de illusie van zekerheid – te streven. We kunnen loslaten en accepteren wat het leven ons brengt…
Ik had mijn goede jachtvriend Terwildt al eens bij mij thuis verlangend door het boek zien bladeren. Toen ik eens bij hem op bezoek ging, heb ik ‘met het vermogen om los te laten’ hem het boek overhandigd. Hij heeft mijn vertrouwen niet geschonden.

            Genoeg, waarde vriend, jij zit waarschijnlijk op een terrasje in de haven van Saint-Tropez met een Pastis, je favoriete drankje. Vertel me er alles over als je terug bent.
Ik verheug me er op.
                        

vrijdag 30 november 2012

Snip! Snip!



Ha, goede vriend, je bent er!
Leuk je weer te zien. Het is lang geleden. Je bent op reis geweest, zo schreef je me. Naar Italië, geloof ik?
Dan heb je veel te vertellen. Kom binnen, dan schenk ik een glaasje port in.
            Zo, vertel me alles. Nee wacht! Heb je al gehoord over de commotie over houtsnippen, een tijdje geleden bij het televisieprogramma ‘De Wereld Draait door’? Nee?, welnu, een paar koks bereidden daar een houtsnip en vertelden erbij dat de houtsnip beschermd is, maar dat jagers ze wel voor eigen gebruik mogen schieten. Onzin natuurlijk, de jacht op houtsnippen is al sinds 1997 verboden. Ik weet niet hoe ze aan die houtsnip kwamen, waarschijnlijk uit Groot Brittannië of Duitsland. Daar is de jacht op houtsnippen wel toegestaan. Uiteraard viel heel anti-jachtdenkend Nederland over de koks, het programma en …de jagers heen. Natuurlijk was er wel een partij(tje) die Kamervragen stelde. Als je het programma terug wilt zien, heb ik hier de link: http://www.uitzendinggemist.net/aflevering/165681/De_Wereld_Draait_Door.html
            Het zette me aan het denken. Ik heb als jager wel houtsnippen geschoten. Uiteraard toen het nog mocht. Het maakte de jachtdag tot een avontuur. In mijn jachtveldje in het Renkumse was het feest als Tim, mijn Engelse Springerspaniel, er één opstootte die mijn gast of ik konden schieten. Het gaf die dag iets speciaals. Een feestelijk tintje zelfs. Het was niet alleen omdat je een heerlijk wildbraad mee naar huis nam. Nee, het was het mystieke van jagen. Ik heb de neiging om te zeggen dat het ging om het samenspel tussen hond en jager. Maar dat is niet de goede vlag om de lading te dekken. Het is meer, beste vriend, het gaat om romantiek, om de wil tot bemachtigen, om de prangende vraag: waarom jaag ik?
            Vroeger joeg men houtsnippen tijdens de voorjaarstrek. Dat mag al lang niet meer in Nederland. Nog niet zo lang geleden heb ik in een ver land in het voorjaar een houtsnip geschoten in de avondschemering. In dat land was en is de jacht op houtsnippen toegestaan. Het had iets speciaals en Mama Wowa bakte ze samen met blini’s en wilde paddenstoelen tot een feestmaal. De schildersveertjes bewaar ik in mijn jachtlogboek. Kijk, ik heb er een foto van:


Je weet niet wat schildersveertjes zijn? Het zijn stijve puntige veertjes, die men in de voorrand van de vleugel bij het “duimpje” vindt. Vroeger werden door schilders gebruikt, vandaar de naam.
            Waarom is de jacht op houtsnippen gesloten in ons land, zal je je afvragen. Toegegeven, ze richten geen schade aan. Maar de stand van houtsnippen staat niet ter discussie. De meesten broeden in Wit-Rusland, Finland en Zweden en een deel gaat tijdens de trek naar het zuiden via ons land. Slechts een (heel)klein deel werd vroeger hier geschoten. Jagers kenden hun verantwoordelijkheid en zouden nooit onverantwoord grote tableaus van trekvogels schieten, zeker de heden ten daagse jagers niet! In 1990 joeg ik wel eens in de omgeving van Europoort. Het gedeelte waar wij jaagden, waar altijd de geur van de petrochemische industrie aanwezig was, bestond toen uit zandvlakten en strookjes jong bos. Soms wemelde het er van houtsnippen. Maar als we een paar geschoten hadden, lieten we de rest met rust. Maar altijd, vroeger en ook nu, raken jagers en drijvers in vervoering als ze een houtsnip opdoen. “Snip! Snip!”, klinkt het door het bos. Maar geen jagers zal er nu één schieten…
            Houtsnippen broedden ook in Nederland. In het boek van SOVON, ‘Atlas van de Nederlandse Broedvogels’ van 1979 worden 2.000 tot 3.000 broedparen vermeld. In het boek (eveneens van SOVON) ‘Atlas van de Nederlandse Vogels’ van 1987 is het al iets meer: 3.000 tot 4.500 broedparen. Op hun website (www.sovon.nl) lees ik dat het aantal broedende houtsnippen in 1998, dus een jaar na de sluiting van de jacht op de ‘dame met het lange gezicht’, is gezakt naar slechts 2.000 broedparen. Na dat jaar vermeld hun site dat er onvoldoende gegevens beschikbaar zijn voor trendanalyse.
            Laatst, toen ik de hond uitliet, vloog er een houtsnip uit de tuin van de buren. Voordat ik er erg in had, riep ik: “Snip! Snip!”. De hond keek mij afkeurend aan.
            Zo, genoeg over houtsnippen. Je zou me nog iets vertellen over je reis naar Italië. Maar ik zie dat het al laat is. Ik heb zo meteen een afspraak. Daarom stel ik voor dat je me later iets verteld over die reis. Zal ik ter afscheid nog een glaasje port inschenken?

zaterdag 10 november 2012

Philip Glasier


Beste vriend,
Je schreef me, dat je het boek “Zoals de Valk haar Bellen” van Philip Glasier ging kopen en je vroeg me hier iets over te vertellen. Waarschijnlijk wist je dat ik dit boek in mijn verzameling heb. Zelf een Engelstalige pocket staat in de mijn boekenkast! Ik heb bewondering voor Philip Glasier. Het zal je niet verbazen dat ik meer boeken van hem heb, zoals zijn standaardwerk "Falconry and Hawking".
Goed idee om dat boek te kopen. Het is leesbaar geschreven met passie voor valkerij en het Brits/Schots landschap.
Velen zijn valkenier geworden na het lezen van dit boek.


Glasier (1915-2000) beschrijft in "Zoals de Valk haar Bellen" hoe zijn passie voor valkerij is ontstaan. Vooral zijn stiefoom, de beroemde kapitein Charles Knight, speelde hierin een belangrijke rol.
De beschrijvingen hoe in die tijd (tussen de wereldoorlogen) valkerij werd bedreven in Engeland, zijn zonder meer boeiend en..vermakelijk Glasier heeft een schrijfstijl met veel onderkoelde Engelse humor. Alles mocht en kon toen.
Het zat hem allemaal mee. Toen hij naar een kostschool werd gestuurd, bleek dat daar het houden van huisdieren werd aangemoedigd. In zijn geval natuurlijk roofvogels.
In de 2e Wereldoorlog wisten ze niet goed wat ze met hem aanmoesten. Uiteindelijk werd hij tankinstructeur en kwam de oorlog met veel verveling en zonder een schot op de vijand gelost te hebben, door. Na de oorlog werd hij uiteindelijk fotograaf met als specialiteit dieren. 
Zijn passie voor valkerij (met en zonder zijn oom) nam alleen maar toe. In het boek staat een mooi verslag over zijn reis naar Spanje waar hij te gast was bij een zeer rijke Spaanse valkenier.
Uiteindelijk werd hij beroepsvalkenier voor een filmster met grote passie voor valkerij, James Robertson Justice. Deze woonde in Spinningdale, een gigantisch landhuis op het schiereiland Black Isle, tegenover Inverness. Toen moest je nog met een veerpont de Moray Firth over, nu met een brug. De filmster had veel Koninklijke vrienden, zoals Prins Philip en de Koningin, die daar de valkenjacht op Grouse meemaakten. Ik ben er jaren geleden eens geweest, maar kon niet eens in de buurt van Spinningdale komen... Mocht je ooit eens die richting op gaan, rij dan door naar het dorpje Cromarty. Rij het dorpje uit tot je op een heuvel belandt. Van daaruit heb je een schittert vergezicht over de Cromarty Firth en de Moray Firth. Ik zag daar bruinvissen spelen en in de bossen tientallen baltsende boompiepers, waarvan de mannetjes zich als parachuutjes naar beneden lieten dwarrelen. 
Glasier was inmiddels getrouwd. Zijn beschrijving uit de periode op Black Isle doet mij vermoeden, dat hij daar erg gelukkig was.
Na enkele jaren verhuist James en vertrekt Glasier naar Dorset. Glasier ging overigens nog regelmatig terug naar Schotland. Dat levert in dit boek mooi leesvoer op.
Philip Glasier bleef niet lang in Dorset, want hij ging met zijn gezin naar Newark, in de buurt van Nottingham. Hij legde daar de fundamenten voor de Internalional Centre for Birds of Prey. Zijn dochter, Jemima Parry-Jones, runt daar de zaak nu. Ik heb wel eens een demonstratie van haar gezien op een Game Fair in Engeland. Ze komt wat muffig over met daar tweedrok, maar heeft volgens mij wel verstand van roofvogels. Ze heeft heel veel boeken en films gemaakt over roofvogels en valkerij.

De titel, “Zoals de valk haar bellen”, komt uit het stuk van Shakespeare “Naar het u lijkt”. Shakespeare gebruikte veel valkerijtermologie in zijn werken.
Gegroet beste vriend, we zien mekaar binnenkort!

zondag 28 oktober 2012

Inspiratie


Waarde vriend,
Door allerlei omstandigheden hebben we elkaar een tijdje niet gezien. Omdat ik weet dat jij erg geïnteresseerd bent in mijn reilen en zeilen, stuur ik je een e-mail.
Dat is een beetje onpersoonlijk, maar het is niet anders.
Het is niet zo dat er met mij of het Lauwersmeergebied spectaculaire dingen zijn gebeurd. Maar onlangs zat ik buiten op het terras van mijn huisje een glas wijn te drinken en een sigaartje te paffen in het herfstzonnetje. Ik zat wat voor me uit te peinzen en dat wil ik met je delen.
Hoe komt het, dacht ik, dat je plotseling wild enthousiast wordt voor iets. Dat kan van alles zijn: liefde, jagen, verre landen bezoeken, etc. Het lijkt wel of er zich een chemisch proces in je hersens ontwikkeld.
Je zou het inspiratie kunnen noemen.
Als je dat zo mag noemen, word ik vaak geïnspireerd door vrienden.
Neem nou Bert. Een geweldige valkenier. We zijn al jaren bevriend. Ik was onlangs bij hem. Hij woont op een steenworp afstand van de hut van Cartouche, ook al een man die mij inspireerde en inspireert. Ik heb je laatst nog iets over hem verteld en dus weet je dat hij al lang geleden overleden is. Maar nog steeds is hij voor mij een voorbeeld.
Bert liet me zijn vogels zien en één van de sakervalken werd gevlogen. Hij vertelde mij over de ongelofelijke snelheden welke valken kunnen bereiken en de precisie van hun vluchten. Soms gaat het verkeerd, vertelde hij en wreef onwillekeurig over zijn voorhoofd. Enkele jaren geleden liet hij een valk –ik meende een lannervalk- in conditie vliegen. De vogel was even uit zicht. Toen Bert floot en de loer zwaaide, kwam de valk met hoge snelheid aanvliegen en knalde tegen zijn hoofd. Bert ging knock out. Nadat hij weer bij kennis kwam, bleek de lanner dood naast hem te liggen. De vogel had de aanvaring met Bert niet overleefd. Dat valken tijdens hun vlucht een object niet kunnen ontwijken, is een absolute uitzondering!
Aan de koffietafel bleven we nog lang nabomen over – vooral - valkerij.
Na het bezoek aan Bert was ik zo gemotiveerd dat ik de volgende dag opgetogen met Kate, mijn slechtvalk, naar het jachtveld reed. Daar mag Kate alleen op kraaien jagen.
Ik zag er twee op een akker zitten en liet Kate gaan. Na een werkelijk spectaculaire vlucht, beide vogels haalden alles uit de kast, wist de kraai zich verstoppen in de enige boom in de verre omgeving. Het zij hem gegund!
Ik liet de loer zien en Kate kwam onmiddellijk terug. Ze vloog aanstellerig een paar rondjes heel hoog en heel snel boven me. Vertel het niet verder, vriend, maar ik krijg altijd een brok in m’n keel als ik haar boven me in de staalblauwe lucht zie vliegen. Als ik een wilde slechtvalk zie vliegen vind ik dat geweldig. Maar mijn eigen vogel, die ik jaren geleden heb opgeleid en waar ik zoveel mee heb meegemaakt, is toch anders.

            Muziek inspireert mij in hoge mate. Vooral na het luisteren van een CD van Ina Müller. Haar gevoel voor ritme en de mooie teksten van haar liedjes maken grote indruk op mij. (…kom lass uns küssen bis wir abgeh’n/bis wir uns plötzlich anders anseh’n/bis es sich anfühlt wie Fremdgeh’n…).
            Hoe oubollig het ook moge klinken, inspireert ook een wandeling door de natuur mij. Tijdens mijn dagelijks rondje met Luna, een raszuivere Lauwersoogse Konijnenhetser, bijvoorbeeld. In het eerste deel van de wandeling los ik alle wereldproblemen op, in het tweede deel maak ik plannen voor de toekomst. Vaak ben ik zo in gedachten, dat het soms even duurt om mij te realiseren waar ik ben. Gegarandeerd dat ik na een wandeling opgewekt thuis kom.
            Beste vriend, ik stop. Zij komt zo terug en ik zal haar ter verwelkoming begroeten ‘bis es sich anfüht wie Fremdgeh’n’…